Rollator

Dit zag ik, onderweg op de fiets: Een oude man keek vanaf de brug uit over het kanaal, naar een groep zwanen. Hij was op zijn rollator gaan zitten en leunde wat voorover, een houding die een stijve of pijnlijke rug deed vermoeden.

Als ik zo opschrijf wat ik zag, zie jij onmiddellijk een beeld voor je. Dat is wat woorden kunnen doen. Maar wat als ik één woord in deze beschrijving verander?
Een jonge man keek vanaf de brug uit over het kanaal, naar een groep zwanen. Hij was op zijn rollator gaan zitten en leunde wat voorover, een houding die een stijve of pijnlijke rug deed vermoeden.

 

Eën woord is anders, en daarmee verandert de sfeer van deze scene. Er sluipt iets tragisch in het beeld, iets dat er eerder niet zo duidelijk was. Er is plotseling een suggestie van een ernstige ziekte en misschien ook een zweem van moedeloosheid.
`Oud’ verandert in `jong’. En met die simpele ingreep roept hetzelfde beeld – man met rollator – een heel ander verhaal op, komen er heel andere associaties naar boven. Want bij een oude man kijk je niet op van een rollator, van een vermoeid lichaam en van een gevoel van desillusie. Bij een jonge man horen zulke associaties niet. Als ze er dan toch zijn, is dat extra schrijnend.
En dát laat zien hoe we gewend zijn in clichés te denken: oude man = zwak, met rollator. Jonge man = sterk, kan gaan waar hij wil. Een slimme schrijver kan daar gebruik van maken om zo met een enkel woord een cliché op zijn kop zetten.

Pen en papier

Ik vond een opschrijfboekje van een paar jaar geleden. Aantekeningen voor een verhaal – wat een net handschrift! Beschaafde kleine letters, redelijk recht naast elkaar, heel goed leesbaar. Zo zou ik nu niet meer kunnen schrijven, zelfs niet met mijn leesbril op. Mijn huidige handschrift is chaotisch, groot, half afgemaakt, vaak onleesbaar. Het is het handschrift van iemand die nog maar heel weinig met de hand, met de pen op papier schrijft.
Dat is logisch – door veel te schrijven, oefen je de spieren in je hand en ben je in staat om nauwkeurig de letters te vormen. Wie nog maar weinig schrijft, merkt dan ook dat zijn hand snel moe is. Urenlang brieven schrijven, of aantekeningen maken bij een college? Ik zou het niet meer kunnen.
Er zijn mensen die beweren dat je gedachten zich anders vormen tijdens het fysieke schrijfproces dan tijdens het typen op een toetsenbord. Vroeger had ik een studiegenoot die daar onderzoek naar wilde doen. Waarin verschilt een boek dat met de hand is geschreven van een boek dat op de computer tot stand is gekomen? Zo’n onderzoek lijkt me onmogelijk, want hoe toets je het ene aan het andere? Maar omdat een pen-en-papier-tekst langzamer wordt geschreven, hebben veel mensen toch het idee dat die ook doordachter, meer afgewogen is.
Terwijl ik dit stukje op de computer tik, gaat de cursor heen en weer in de tekst. Ik delete woorden, vervang ze door andere, lees nog eens wat ik heb geschreven, vervang nog een woord, herformuleer een hele zin. Minder afgewogen, onzorgvuldiger? Dat lijkt me niet. Uiteindelijk gaat het niet om de manier waarop een tekst tot stand komt, maar om de intentie van de schrijver.

Kijken

De laatste tijd vragen nogal wat mensen me: hoe schrijf jij eigenlijk je boeken? Vaak bedoelen ze daarmee: hoe begin je? Hoe weet je of je op een enkel idee een heel verhaal kunt bouwen?
Tja. Elk verhaal ontstaat met een eerste idee, dat is waar. Een beeld of een intuïtie waarbij iets wringt, waarbij vragen worden opgeroepen. Een hand die een bloem fijnknijpt, een eenzame rode schoen op een verlaten terras, een man in pak, hurkend in de sneeuw.
Dat soort beelden zijn er in overvloed, je moet er alleen oog voor hebben. In het gewone drukke dagelijkse leven zie ik ze vaak over het hoofd. Dan fiets ik met een rotgang door de stad en zie alleen de auto’s die voor het stoplicht te dicht naast de stoep staan en die fietsers geen voorrang geven.
Pas als ik een luikje openzet – een mysterieus proces dat zich niet laat dwingen – verandert mijn dagelijkse blik in mijn schrijversblik. Dan kijk ik op een andere manier, naar de dingen ónder en naast de dingen. Wat is het leven opeens interessant, tientallen mogelijke verhalen zie ik – kies maar uit.
Twee huilende vriendinnen met een bakfiets, de een op de fiets, de ander in de bak. Een man die drie winterjassen over elkaar draagt en een bloedrode roos tussen duim en wijsvinger klemt. Een boek in een boekwinkel, met een briefje tussen de bladzijden gestoken: Dit is mooi.

Bungeejump

Mijn boek is net uit. Hotel Zero heet het en het is te koop in de boekwinkels. Af en toe ga ik even kijken bij de boekwinkel in de buurt. Dat is geweldig. En het is vreemd, om daar een stapeltje romans te zien liggen met mijn naam erop.
Of ‘vreemd’? Dat is een te vriendelijk woord. Het is eerder vervreemdend, angstaanjagend zelfs. Want eigenlijk ben ik het die daar op een stapeltje ligt. Nee, het boek is niet autobiografisch. Met de hoofdpersoon schets ik geen verkapt beeld van mijzelf. Maar het zijn mijn gedachten die op die pagina’s staan, mijn inzichten, mijn vertaling van de werkelijkheid. Elk boek is autobiografisch. Het is immers de intieme stem van de schrijver die je daar op elke pagina hoort.
En zeg nou zelf, dat is toch ook wat boeken lezen zo verslavend maakt? Wanneer krijg je in het echte leven nou de kans om even in iemands hoofd te kijken?
Ja, dat is fascinerend en betoverend. Maar als het jouw hoofd is, als je zelf de schrijver bent, voelt dat toch net iets anders. Het voelt kaal.
En het voelt fantastisch – zo ongeveer alsof je een bungeejump maakt. Zo vanaf de vaste grond pardoes het diepe luchtledige in.

blogoververmoeidheid

De dagen zijn ultrakort, een paar uurtjes licht en dan mag je alweer naar bed. De meeste bomen zijn bijna kaal en sommige bomen zijn opgesierd met lampjes. Iedereen mag stemmen over het gekste woord van dit jaar – ik kies hardwerkendenederlander.
Toen ik mijn vorige blogstukje schreef, duurden de dagen eindeloos, de bomen waren feestelijk groen, maar de hardwerkendenederlander doemde al op aan de horizon. Waarom stopt zoiets opeens, zo’n stroom van verbazing en observaties? Nou, eigenlijk stoppen die nooit, alleen schreef ik ze even niet op.
Ik was namelijk iets anders aan het schrijven – mijn nieuwe boek, Hotel Zero. Zo’n boek in wording is gulzig, het slokt alle aandacht op. De personages zitten op een rij in mijn hoofd  en roepen van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat dat ik ze niet mag vergeten. De plotlijn slingert zich met overgave dwars door mijn dagelijks bestaan. Geen tijd en geen aandacht voor blogstukjes dus.
Maar nu is het boek klaar, nog even en het ligt in de winkels. De personages zijn al aan het afscheid nemen, straks zitten ze niet meer in mijn hoofd maar staan ze erbuiten, op eigen voeten.
Dat voelt een beetje raar, een beetje kaal. Maar ook wel tevreden.

Wishful thinking

“Ik word wakker van een onbekend geluid. Een nat geluid – een gestaag, rustig druppelen. Het lekt ergens – ik spring uit bed.
Als ik de gordijnen openschuif, schijnt de zon recht in mijn gezicht. Ik doe het raam open en leun naar buiten. De ijspegels aan de rand van het dak en aan de overkapping van de veranda zijn aan het smelten. In de hard bevroren sneeuw op het grasveldje verschijnen deukjes waardoorheen de onverslaanbare grassprietjes zich oprichten.

Buiten is het wonderbaarlijk: ik knipper met mijn ogen tegen al dat licht, dat in brede, brutale banen over de stoep en de weg gutst.
Het licht heeft een muziekje bij zich dat overal in de stad te horen is: een aanstekelijk ruisen dat ik eerst niet kan plaatsen. Maar als ik op de iets hellende weg naar de campus loop, zie ik hoe langs de stoep het smeltwater van de wekenoude, grijze sneeuw als een kleine waterval naar beneden stroomt.
Opluchten: dat betekent letterlijk verse lucht toevoegen, oude lucht laten ontsnappen. De stad ruikt opgelucht en schoon. Allerlei onverkwikkelijks dat eerder zo vanzelfsprekend aanwezig was dat je het niet eens meer opmerkte, is in één nacht weggepoetst.”

Uit: Een stil vertrek

Een stil vertrek

Ik stond op Detroit International Airport met mijn blauwe koffer op een bagagekarretje, mijn oren suisden nog na van een al te snelle landing.
Ik had een jonge geüniformeerde man met vierkante kaken en stekeltjeshaar ervan weten te overtuigen dat mijn paspoort bonafide was, dat ik was wie ik zei te zijn en dat ik God’s own country geen kwaad zou berokkenen. Hij had een handgebaar gemaakt en ik had begrepen dat ik vrij was om het land in te gaan.
Om mij wisten mensen precies wat hun doel was in dit leven. Met opgeheven hoofd liepen ze langs me heen, al hun spullen in koffers op wieltjes. Sommigen vlogen geliefden in de armen – eindelijk weer thuis.
Ik keek omlaag, liever voeten dan gezichten. Sneakers, snowboots, high heels – allemaal zonder aarzelen op weg . Een netwerk van moddersporen liep over de grijs-stenen vloer: schaduwen van voeten die alweer voorbij waren, verder gelopen. Buiten moest het nat zijn
Kom, ik kon hier niet blijven staan. Ik duwde mijn bagagekarretje in beweging.

Uit: Een stil vertrek

Petite

Veel vrouwen houden van verkleinwoorden: jurkje, baantje, klusje, bedrijfje, projectje, en het verfoeilijke collegaatje. Alsof we in een poppenwereld wonen – dat kan toch niet goed zijn voor het zelfrespect en ook niet voor het beeld dat de mannelijke buitenwereld van ons heeft.
Ik ben mijn tweede roman aan het schrijven en kom bij een passage waarin in 1 alinea de woorden `blikje’, `doosjes’ en `pakketje’ voorkomen. Dat moet anders. `Blikje’ en `doosjes’ mogen blijven staan, maar `pakketje’ wordt gedelete.
Wat nu? `Pakket’ is te groot, het gaat om een erfenis die in een overzichtelijke postzending bij de hoofdpersoon arriveert: een envelop van ribbelkarton met daarin twee doosjes (daar heb je ze) met ringen. Ik probeer `een klein pakket’.
Daarbij zie ik een platte kartonnen doos voor me, A4-formaat, zoals je op het postkantoor kunt kopen. De twee doosjes met ringen zouden alle kanten op schuiven in zo’n kartonnen pak. Dat werkt dus niet.
`Een pakketje’ daarentegen is perfect, dat  heeft precies de grootte van het poststuk dat ik in gedachten heb. Het luistert nauw, `pakketje’ roept nou eenmaal een kleiner beeld op dan `een klein pakket’.
Ik lees de alinea nog een keer, zet `pakketje’ weer op zijn oude plek en ga op zoek naar een ander woord voor `blikje’.

Halloween

“Op dat moment gaat de bel – iemand houdt zijn vinger er veel langer tegenaan geduwd dan noodzakelijk is. Ik schiet overeind en snel naar de voordeur.
Op de veranda staan drie kleine monsters: een draak met rode ogen en groene schubben over zijn hele lijf; daarnaast een zwart gedrochtje met rode oren en enorm grote paarse mond, en achter hem een zwarte heks met hoge puntmuts en een pukkel op haar neus.
Ik deins achteruit, zo onverwacht is hun verschijning bij mijn huis. De monstertjes springen op en neer en krijsen: `Trick or treat! Trick or treat!’
Mijn Engels hapert, ik vind de juiste woorden niet om hen te antwoorden. Er komt iemand achter me staan.
`Alsjeblieft, dit is voor jullie. Happy Halloween.’ De engel geeft de verklede kinderen ieder een appel. Wonderlijk genoeg zijn ze tevreden met zo’n weinig spectaculaire traktatie. Ze bedanken in koor en rennen het trapje af, de straat op.
`Dank je,’ zeg ik. `Je hebt zojuist mijn leven gered. Ik was helemaal vergeten dat het Halloween is.’
Samen zoeken we in de keukenkastjes naar zoetigheden die als zoenoffer voor de kleine spoken kunnen dienen. Er zijn geen appels meer, maar ik vind een zak Engelse drop die ik bij mijn vertrek op het laatste moment in mijn koffer heb gestopt. De engel diept ergens nog een pak chocoladekoekjes en een doos citroenzuurtjes op.”

Uit: Een stil vertrek

 

Saved

 

 

Lose your keys under the house, lose the button from your blouse,
Lose the plastic diamond ring from the parade-
Lose the color in your lips, lose the swingin’ in your hips,
But if you lose me in your grips I must be saved

 

I must be saved van Madeleine Peyroux – intrigerend liedje dat me inspireerde bij het schrijven van Een stil vertrek.