Vogel?

Op een koude dag fietste ik langs de duinrand, waar alles kaal en winters was. Stakerige struiken, met een paar allerlaatste blaadjes eraan. Modderige grond. Bomen die stoïcijns wachtten op de lente.
Niet de moeite waard om goed te bekijken. Tot ik in een flits een zwarte vogel in een kornoeljestruik zag zitten. Roerloos alsof hij door de kou was bevangen. Ver gevlogen, vermoeid, uitgehongerd.
Ik vertraagde, keek nog een keer goed, en zag in plaats van een vogel, een zwarte handschoen. Mijn hersens klikten, wisselden van spoor, en pasten het bijbehorende verhaal aan. Een leren handschoen, die iemand was verloren bij een wandeling. Door iemand anders gevonden en op een tak gestoken, als een wuivende hand. Hier, hier ben ik, vind mij.
Dat korte moment waarop de vogel een handschoen werd, dat fascineert me. Hoe snel het brein werkt. Hoe, zonder hapering, het verhaal bij het beeld en de emoties die het beeld oproept, worden bijgesteld.
Ik fietste door, hield mijn halfje vers brood in mijn tas. De handschoen hoefde niet bijgevoerd te worden.

100 of 80?

Wanneer is een ervaring optimaal?
Je zou zeggen dat het iets met die 100% te maken heeft – je bent helemaal in het nu, met een aanwezigheid van 100%, of je geeft 100% van je energie aan wat je doet.
Toch adviseert yogadocent David Swenson, van wie ik ooit les kreeg, om niet meer dan 80% in een moment te stoppen. Hij heeft het weliswaar over yoga, maar yoga gaat over de stroom van het leven. Dus die 80% is ook toepasbaar op het gewone dagelijkse bestaan.
Het is essentieel om altijd iets over te houden, zegt David. Dat komt namelijk goed van pas voor andere zaken die ook aandacht willen. Zoals je familie, je vrienden, rust. Als je steeds alles weggeeft, sta je vroeger of later met lege handen.

Een 6je of een 10?

Het kabinet en aanverwante geesten willen een einde aan de zesjescultuur. Studenten moeten weer gaan studeren in plaats van feestvieren. Excelleren is het toverwoord dat ons weer op VOC-niveau moet brengen. Voor de studenten betekent dat: voldoen aan alle eisen, luisteren naar de docent, net dat beetje extra geven.
En toch: het zijn veelal diezelfde mensen die heel hard roepen dat Nederland niet het braafste jongetje van de klas moet zijn. Dat het land dus niet aan alle eisen moet voldoen, niet moet luisteren naar de meester, niet dat beetje extra moet geven.
Ergens klopt hier iets niet.

In de hoek

Protest vereist een reactie van degene tegen wie het protest gericht is: uitleg, verantwoording, een heropening van de onderhandelingen, of desnoods een weigering om iets te veranderen.
Maar als het stil blijft bij de tegenpartij, verliest het protest zijn zin. Letterlijk: het protest wordt hol, leeg, krachteloos.
Als er wordt geprotesteerd terwijl er niemand luistert, is dat net alsof er een kind staat te stampvoeten in de hoek. Zo’n kind is ongevaarlijk, je kunt het veilig negeren, het doet er niet toe.
Zo bezien, is negeren de perfecte tactiek om elk protest in de kiem te smoren. Zou die tactiek worden beschreven in de handboeken van de macht?

Bijzondere dag

Aan het einde van de dag is het licht lager, maar niet zachter. Zuidwestenwind in de duinen, bijna stormachtig. Ik voel de wind als een stevige hand in mijn rug. Op mijn fiets suis ik omhoog, omlaag, door, door. Om mij heen gewuif en gewapper: trillende zilveren bladeren van de abelen en groene duindoorntakken.
De zon flitst en huivert. De lucht is zo egaal als een zijden sjaal, met heel hoge meeuwen die hun witte buik laten blinken in het felle licht. Ze drijven op de wind, zonder enige inspanning. Het komt me voor dat er vandaag een scherpe scheidslijn loopt tussen boven en onder: boven alles rustig en geruisloos, onder een en al beweging en kabaal.
Ik suis door, hoe hard zou ik gaan? Sommige mensen dragen een helm op de fiets, maar ik vind dat onzin. Als je valt, dan val je – niets aan te doen. Je laat je toch niet het genot van wapperende haren, de wind tegen je hoofd ontnemen uit angst voor bloed?
Met spijt rijd ik de duinen uit, de stad in. Ik kom langs de oude herenhuizen aan het kanaal. In een kamer zie ik een vrouw staan in een ouderwetse avondjurk, ze beweegt niet, haar blote arm houdt ze elegant gestrekt. Voor ik meer kan zien, ben ik het huis al voorbij. Op een muurtje kijkt een kat met heel lichtgroene ogen me na.

Schijngestalten

De trein stopt, vlak voor hij het station binnenrijdt. We wachten, niemand weet waarop. Ik kijk uit het raam, naar rails en naar verwilderde braamstruiken met kleine witte bloemetjes. Er ligt daar een stuk krant op de kiezels – zelfs van deze afstand aan het uitbundige lettergebruik te herkennen als de grootste krant van Nederland.
De krantenpagina ligt roerloos, en wordt dan opgepakt door een onverhoedse windvlaag. Die blaast er leven in: het papier lijkt plotseling op een flinke vogel die met zijn snavel op de grond naar iets eetbaars wroet.
Hij zoekt en komt omhoog, zoekt – de wind grijpt een andere punt papier vast, en de krant wordt een rond hondje, met een kop die half schuilgaat tussen zijn schouders. Het hondje bolt op, wordt weer slank, bolt op – en wordt een varkentje.
De wind rent een rondje met het varken en gaat dan eens aan de bramen schudden. Het dier – vogel, hond, varken – verandert weer in een stuk krant met oud nieuws. De trein rijdt door.

Tijger, tijger

Het is een drukke straat, met in het midden een trambaan. Links en rechts schieten de auto’s voorbij, en in de spits staan ze stil. Hier en daar staat een miezerige boom naar adem te snakken.
Er is weinig ruimte voor voetgangers, die moeten over een smalle stoep hun weg zoeken, dicht langs de huizen. Die huizen zijn hoog en er is niets opmerkelijks aan te zien, behalve misschien dat ze allemaal dezelfde vuilgrijze kleur hebben.
Voor een raam zit een tijger, levensgroot en levensecht. Hij kijkt langs het opzij geschoven gordijn naar buiten, naar de auto’s en mensen. Onbeweeglijk stoïcijns. Zelfs zijn snorharen trillen niet. Hij is gemaakt van pluche, maar wil dat niet weten.
Elke dag zit hij daar, hij heeft een taak. Hij voegt een glimlach toe aan een omgeving die onzichtbaar is van alledaagsheid.

Handschoen

Als ik  in mijn straat de hoek omga, zwaait een hand naar mij. Al twee of drie weken lang doet hij dat, soms een paar keer per dag.
Er zit geen arm aan die hand, erboven is geen vriendelijk lachend hoofd te zien. De hand is geen echte hand, maar een handschoen. Die ligt in een raamkozijn te wachten tot de eigenaar hem eindelijk komt ophalen. Iemand heeft hem zo neergelegd, dat de suggestie bijna perfect is. De pols iets gekromd, de vingers recht naast elkaar omhoog. Je loopt langs, vangt vanuit je ooghoeken iets op, en denkt dat iemand naar je wuift. Dag, dag, veel plezier vandaag.
Vandaag stopte ik en deed wat ik al die weken al had willen doen. Ik tilde de handschoen op en bekeek hem eens goed. Ja, inderdaad. Wat ik vermoedde was waar. De handschoen was stevig opgevuld met oude kranten. Hoe zou hij anders al die tijd in regen en wind de wuifpositie hebben behouden?
Ik zette hem terug, precies zoals hij stond, en liep met een glimlach op mijn gezicht verder. Iemand had de moeite genomen om een kunstwerkje te maken van een verloren voorwerp. Een begroeting en vaarwel voor alle voorbijgangers.
Dag, dag, veel plezier vandaag!